Ligging van de burcht

Meer dan 100 m boven de Moezel bevindt zich op een markante berg het laat-gotische bouwwerk met zijn onvergetelijke omtrek. De vorm van de oprijzende berg schijnt zich in het gebouw voort te zetten en bereikt zijn hoogtepunt in het leien dak van de machtige toren.

De burcht Cochem is een typische hoogteburcht, door de ligging van het terrein was een verdediging in alle richtingen mogelijk. Romaanse architectuurfragmenten, die in de burchtput gevonden werden, duiden op een uitbouw van de burcht na 1056.

Rond deze tijd of vroeger ontstond de kern van het romaanse belfort als vierkant met een zijde van 5,40 m en een muurdikte van maximum 3,60 m. Gelijktijdig werd ook de toren verhoogd. In de eerste helft van de 14de eeuw verbond Balduin de burcht en de stad met stevige muren. Bovendien werd onder de burcht een zware ketting verankerd, die met een trekzeil vanuit de burcht kon bediend worden, om de doorvaart op de Moezel te versperren.

Geschiedenis van de Rijksburcht Cochem

Omstreeks het jaar 1000, zo wordt algemeen aangenomen, werd onder het bewind van paltsgraaf Ezzo, zoon en opvolger van paltsgraaf Hermann Pusillius, de burcht van Cochem gebouwd. Schriftelijk vermeld werd de burcht voor de eerste keer in 1051, toen Richeza, de oudste dochter van paltsgraaf Ezzo en de vroegere koningin van Polen, de burcht aan haar neef, Paltsgraaf Heinrich I, schonk. Ook nadat de Ezzonen hun rang als paltsgrafen verloren, bleef Cochem met het paltsgraafschap verbonden. Een strijd om het paltsgraafambt beëindigde koning Konrad III in het jaar 1151, toen hij de burcht Cochem met zijn troepen bezette en als rijksleen definitief in bezit nam.

Daardoor werd, tijdens de heerschappij van de Stauferdynastie in Duitsland, de burcht Cochem een Rijksburcht. Vanaf dan werd een rijksadministrateur met de titel burchtgraaf – voor het beheer van de burcht en het rijksbezit ingezet.

Toen tijdens de oorlog om de erfopvolging in de Palts, troepen van koning Louis XIV, de zonnekoning, tot in de Rijn- en Moezelstreek doordrongen, was in 1689 de burcht Cochem bezet. Nadat in maart de stad Cochem veroverd werd, werd de burcht op 19 mei 1689 in brand gestoken, ondermijnd en tot ontploffing gebracht.

In dat jaar werd bijna de ganse stad Cochem verwoest. De burcht bleef lange tijd een ruïne, tot in 1868 de Berlijnse koopman en latere geheime handelsraad Louis Ravené het grondstuk voor 300 Goldmark kocht en de burcht weer liet opbouwen.

De resten van het laat-gotische bouwwerk bleven een vast bestanddeel van de heropgerichte burcht, die, in nieuw-gotische stijl heropgebouwd, aan de romantische voorstellingen van de 19de eeuw voldeed. De burcht was zomerresidentie van de familie Ravené en bleef 75 jaar in hun bezit.
Na de verkoop in het jaar 1943 werd de burcht eigendom van het Duitse Rijk, sinds 1978 is ze in het bezit van de stad Cochem en wordt ze door de “Reichsburg Cochem GmbH” beheerd. De Rijksburcht Cochem, meer dan 100 m boven de Moezel gelegen, is een ideaal doel voor een uitstap.

Louis Ravené

De familie Ravené, oorspronkelijk uit Metz afstammend uit een hugenoten familie, kwamen als vluchtelingen door hun geloof in het jaar 1685 naar Berlijn. Daar leidde deze familie een klokkengieterij. De firma Ravené vond haar oorsprong in de in 1722 opgerichte ijzerhandel Samuel Gottlieb Butzer. Jakob Ravené huwde op 14.08.1775 nl de dochter van de ijzerhandelaar. Na de dood van Samuel nog in hetzelfde jaar nam hij de firma over.

In het jaar 1824 liet Jakob Ravené de firma over aan zijn beide zonen en schoonzoon. In 1833 werd zoon Pierre de chef. Onder hem werd de gerenou meerde firma een groothandelsfirma. Zijn zoon, de wederopbouwer van de burcht, Jacob Louis Fréderic Ravené, was de man die de firma Ravené tot floreren bracht. Hij nam de leiding over, en bouwde de firma verder uit.

In 1864 trouwt hij met Therese Elisabeth Emelie von Kusserow. De moeder van drie kinderen werd verliefd op de huisgast Gustav Simon. In 1874 verlaat ze haar man. Hij wou het huwelijk redden, het lukt hem niet. In 1879 sterft hij in de tschechische kuurstad Marienbad.

Enkele jaren na de dood van Ravené leest Theodor Fontane in de krant over de plantenverkoop per opbod uit de voorraad van de wederopbouwer en schrijft een roman: L’Adultera. Hierin maakt hij Ravené tot de romanfiguur van der Straaten. In 1854 kreeg Ravené de rode adelaarsorde, vierde klasse. In 1862 werd hem de titel “komerzienrat” toegesproken. Hij was erenburger van de stad Ilmenau in Thüringen en van de stad Cochem. In 1879 werd, om hem te eren,een van het Comoreneiland Johanna ingevoerde palm, naar hem benoemd, nl de palm Ravenea Hildebrandti.
Zijn zoon, Dr. Louis Ferdinand Auguste Ravené was bij de dood van zijn vader 12 jaar oud. In 1887 neemt hij de firma over van zijn vader en trouwt in 1888, in Berlijn met Martha Helene Wilhelmine Ende, de dochter van de architekt Hermann Ende, deze was zeer met de familie verbonden. Na de dood van zijn vrouw huwt hij een tweede keer met Elisabeth Cäcilie van Alften. In 1944 sterft hij in Postdam. Zijn gemeenschappelijk graf, met zijn eerste vrouw, bevindt zich in Marquardt, een stadsgedeelte van Postdam.

Der Wiederaufbau

Door het plannen van de bouw van de spoorweglijn tussen Koblenz en Metz langs de Moezel, werd onze regio voor meneer Ravené interessant en hij werd verliefd op de ruïne van de burcht Cochem.

Samen met de bouwraad Hermann Ende deed hij reeds begin 1867 de aanvraag tot koop van de ruïne, om deze weer op te bouwen, bij het pruisische Domeinenbeheer. Ongeveer één jaar later, 1868 had de toenmalige pruisische koning Wilhelm de eerste, de verkoop goedgekeurd onder de volgende voorwaarden:

  1. Behoud van de nog staande resten van de ruïne en wederopbouw volgens historische voorlagen (koperplaat Braun en Hogenberg)
  2. Goedkeuring van de bouwplannen door de minister van wetenschappen en cultuur
  3. Gedeeltelijke opening van de burcht voor het publiek
  4. Voorverkoopsrecht van de staat

De prijsvinding: 300 daalder, is een symbolische prijs. Men orienteerde zich aan een vergelijkbaar geval, de verkoop van de ruïne Hammerstein.

In juni 1868 begon men met het opruimen van de geweldige puinhoopmassen onder de leiding van professor en koninklijke bouwraad Ende. Verschillende grondmuren, fundamenten alsook de kelder aan de Moezelzijde en de waterput werden vrijgelegd en gezekerd. De hoofdburcht werd gebouwd, de bovenste kamers werden voor de wederopbouwer ingericht.

Vanaf 1871 begon de tweede bouwepoche onder bouwraad Julius Carl Raschdorff. Raschdorff was bekend voor zijn renaissancebouwwerken (Wallraf Richartz, museum Köln), was voordien stadbouwmeester in Keulen en had zich reeds met een fantastische naam etabliseerd.

De planning van het buitenbereik orienteerde zich aan de voorwaarden bij de koop. De planskizzen uit het architektonische skizzeboek zijn nu nog daar. De planning van de binnenarchitektuur lag ook bij Raschdorff, deze skizzen zijn echter niet meer daar. De opdracht voor de binnenarchitektuur kregef Prof. Ernst Ewald uit Berlijn. Hij ontworp de schilderachtige versiering aan plafonds en muren, zowel binnen als buiten. De brandschilderingen voerde hij zelf uit of het waren zijn medewerkers, Göthe alsook schilder Münster uit Keulen. Ook hand- en kunsthandwerkers uit de omgeving werkten mede. Hierdoor zijn de vertrekken dekoratief en de meubels comfortabel. Alle bouwstijlen, die in de 1000 jarige geschiedenis voorkwamen vind je terug in de wederopbouw.

Zo vinden onze bezoekers bij de rondleidingen o.a. een eetkamer in de neo-renaissancestijl, een gotische en een romaanse kamer.

In 1877 werd de inwijding van de burcht en de opening van de keizer Wilhelmtunnel met een feestbanket in de ridderzaal gevierd. Alle gasten met rang en naam, hebben daaraan deelgenommen. De plaats aan meneer Ravené’s zijde bleef leeg, zijn vrouw had hem in de steek gelaten.

Legenden um die Burg

Die Fässerschlacht

Wir sind in der Burg Cochem. Zur Zeit ihrer Erbauung schrieb man das Jahr 1000. Und sie war eine mittelalterliche Verteidigungsanlage wie andere Ritterburgen auch.
Etwas vornehmer vielleicht, weil sie die Pfalzgrafen am Rhein beherbergte, die mit den deutschen Kaisern verwandt waren, als alle Kaiser Otto hießen. Mit Machtkämpfen und Intrigen reiht sich die Burggeschichte nahtlos in das gesellschaftliche Gefüge jener Zeit ein. Günstige Heiraten vermehrten die Macht der Mächtigen. Aber auch Mord und Totschlag waren üblich, um unliebsame Mitmenschen oder Rivalen zu meucheln.

So geschehen mit der Pfalzgräfin Mathilde, die 1062 ihren Gatten auf dem Gewissen hatte oder dem Grafen Herrmann von Salm und Luxemburg, vormals deutscher König, der 1086 das wachsame Burgfräulein aus Versehen steinigte. Die rheinischen Pfalzgrafen – mit ihren Territorien eingezwängt zwischen die Erzdiözesen Köln, Trier und Mainz – verließen die Moselregion und residierten fortan in Heidelberg. Das nutzte der Kurfürst und Erzbischof von Trier und vereinte die Erzdiözese Trier mit Koblenz. Die Burg Cochem wurde ein Verwaltungssitz, die Moselregion blieb von Kriegen weitgehend verschont und die Moselaner meinten: „Unter dem Krummstab lässt sich’s gut leben!“

Ganz friedlich war es in den deutschen Landen nie. So zog der Ritter Franz von Sickingen mit seinen Landsknechten vor Trier. Der Kurfürst rief seine Landeskinder zu Hilfe. Und von Cochem und Zell machten sich 386 Bewaffnete in Eilmärschen auf nach Trier. Und es muss wohl deren Tapferkeit zuzuschreiben gewesen sein, dass Ritter Franz die Belagerung aufgab und sich zurückzog. Seine Landsknechte aber, voller Zorn über den verschenkten Sieg, ließen ihre Wut darüber an den Moselorten aus.

So ein Haufen zog auch vor Cochem. Als man die Stadttore verrammelt sah, lagerte man auf den Wiesen am Endertbach und rüstete zum Sturm auf die Stadt. Die Cochemer Ratsherren, die die Verteidigung zu organisieren hatten, waren in 1000 Nöten. Da hatte einer eine Idee. Alle waren aufgefordert die leeren Weinfässer auf die Höhe über dem Enderttor zu rollen und dort hochzustapeln. Als der marode Haufen am nächsten Morgen zum Sturm antrat, da löste man die Fässerpyramide. Die Fässer rumpelten und pumpelten die Höhe hinab in die Reihen der Angreifer. Die wurden geschunden und gequetscht und zogen ab.
Wohl meinend, dass dort, wo so viele leere Fässer sind, kaum noch volle sein können und demzufolge die Beute gering sein müsse.

Die Cochemer aber reden heute noch, wenn sie am Stammtisch sitzen, von ihrer damaligen Kriegslist und ihrer gewonnenen Fässerschlacht!

Der Knipp-Montag

Über 40.000 Ritterburgen soll es im deutschen Sprachraum gegeben haben. Sie waren Stützpunkte der Mächtigen. Sie sollten Truppenbewegungen im Lande melden und kleine Gefechte selbst führen, bis die Landesherren ausreichend Truppen zum Kampf verfügbar hatten.

So einen Handstreich auf die Burg Cochem entdeckte ein Burgknecht, der an einem „weißen Sonntag“ (dem 1. Sonntag nach Ostern) auf die Höhe in das Dorf Faid ritt, um seine Liebste zu besuchen. Er entdeckte bewaffnetes fremdes Volk und erfuhr von einem geplanten Angriff auf die Burg Cochem. Der Knecht galoppierte schnurstracks zur Burg zurück und schlug Lärm. Die Burgmannen rüsteten zur Verteidigung. Als am nächsten Morgen der Haufen die Burg angriff, holte er sich blutige Köpfe und zog eiligst ab.

Der Burgherr war seinen Mannen dankbar für ihre Wachsamkeit und Tapferkeit, gab dienstfrei und bestimmte den Montag nach dem „weißen Sonntag“ für Burg und Stadt zu einem Feiertag für alle Zeit.

Seit damals ziehen die Cochemer Bürger mit Körben voller Essen und Krügen voller Wein zu einer Wiese namens „Knipp“ oberhalb der Burg, wo sich die Angreifer bereitgestellt hatten. Sie trinken, essen, singen, sind lustig und das junge Volk holt nach, worauf der Burgknecht und seine Liebste damals in Faid verzichten mussten.

Sie feiern fortan den Knipp-Montag.